De of het seizoensgasten?
Het seizoensgasten
Is het de of het seizoensgasten
In de Nederlandse taal gebruiken wij het seizoensgasten.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: season guests
Deutsch: Saison Gäste | Bekijk of het der of die Saison Gäste is.
Français: saison invités | Bekijk of het Le o La saison invités is.
Jou of jouw: jouw seizoensgasten
Buigings-e:
Mooi of mooie seizoensgasten
Groot of grote seizoensgasten
Half of halve seizoensgasten
Grappig of grappige seizoensgasten
Leeg of lege seizoensgasten
leuk of leuke seizoensgasten
Vet of vette seizoensgasten
Snel of snelle seizoensgasten
Wit of witte seizoensgasten
Klein of kleine seizoensgasten
Rood of rode seizoensgasten
Dik of dikke seizoensgasten
Oud of oude seizoensgasten
Goed of goede seizoensgasten
Wat rijmt er op seizoensgasten
Elk of elke: Elk seizoensgasten
Aanwijzend voornaamwoord: Dat seizoensgasten
Bezittelijk voornaamwoord: Ons seizoensgasten
Wat rijmt er op seizoensgasten
Buigings-e:
Mooi of mooie seizoensgasten
Groot of grote seizoensgasten
Half of halve seizoensgasten
Grappig of grappige seizoensgasten
Leeg of lege seizoensgasten
leuk of leuke seizoensgasten
Vet of vette seizoensgasten
Snel of snelle seizoensgasten
Wit of witte seizoensgasten
Klein of kleine seizoensgasten
Rood of rode seizoensgasten
Dik of dikke seizoensgasten
Oud of oude seizoensgasten
Goed of goede seizoensgasten
Wat rijmt er op seizoensgasten
Elk of elke: Elk seizoensgasten
Aanwijzend voornaamwoord: Dat seizoensgasten
Bezittelijk voornaamwoord: Ons seizoensgasten
Wat rijmt er op seizoensgasten
Oefening van de dag