De of het juweel?
Het juweel
Is het de of het juweel
In de Nederlandse taal gebruiken wij het juweel.

Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: jewel
Deutsch: Schmuckstück | Bekijk of het der of die Schmuckstück is.
Français: bijou | Bekijk of het Le o La bijou is.
Jou of jouw: jouw juweel
Buigings-e:
Mooi of mooie juweel
Groot of grote juweel
Half of halve juweel
Grappig of grappige juweel
Leeg of lege juweel
leuk of leuke juweel
Vet of vette juweel
Snel of snelle juweel
Wit of witte juweel
Klein of kleine juweel
Rood of rode juweel
Dik of dikke juweel
Oud of oude juweel
Goed of goede juweel
Wat rijmt er op juweel
Elk of elke: Elk juweel
Aanwijzend voornaamwoord: Dat juweel
Bezittelijk voornaamwoord: Ons juweel
Wat rijmt er op juweel
kroonjuweel - puikjuweel - landjuweel -
Buigings-e:
Mooi of mooie juweel
Groot of grote juweel
Half of halve juweel
Grappig of grappige juweel
Leeg of lege juweel
leuk of leuke juweel
Vet of vette juweel
Snel of snelle juweel
Wit of witte juweel
Klein of kleine juweel
Rood of rode juweel
Dik of dikke juweel
Oud of oude juweel
Goed of goede juweel
Wat rijmt er op juweel
Elk of elke: Elk juweel
Aanwijzend voornaamwoord: Dat juweel
Bezittelijk voornaamwoord: Ons juweel
Wat rijmt er op juweel
kroonjuweel - puikjuweel - landjuweel -
Oefening van de dag